Doen of zijn

‘Doen’ of ‘zijn’, rennen of stilstaan? Soms komt het verschil even letterlijk op je pad. Joggend door een bos lette ik vooral op de oneffen grond pal voor me, half in gedachten. Bij de dikste boom van Nederland stopte ik even en keek ik pas echt om me heen. Twee hazen waren verderop tussen het gras en voorjaarsbloemen aan het spelen, sprintjes en rondjes achter elkaar aan. Onverstoord gingen ze daar een hele tijd mee door. Dat feestje had ik nooit opgemerkt als ik was doorgerend.